Bloedtransfusie

Bij de behandeling die een patiënt op de afdeling Medische Oncologie ondergaat, kan de toediening van bloed nodig zijn. In deze tekst, die tot stand is gekomen met behulp van de Commissie Bloed en Bloedproducten van het UMCG, wordt uitgelegd om welke bloedproducten het gaat, wat de risico’s kunnen zijn en wat er gedaan wordt om deze zo veel mogelijk te voorkomen.

Bestanddelen van het bloed

Bloed bestaat uit verschillende bestanddelen. Ieder bestanddeel heeft een eigen functie.

Rode cellen (erythrocyten): brengen zuurstof dat door de longen wordt opgenomen naar de rest van het lichaam. Door een ernstig tekort aan rode cellen (‘bloedarmoede’) wordt onvoldoende zuurstof in het lichaam afgeleverd. Hierdoor kunnen klachten zoals kortademigheid en vermoeidheid ontstaan. Hiervoor kan een transfusie met rode cellen worden gegeven.

Witte bloedcellen (leucocyten): zorgen voor de afweer van het lichaam tegen bijvoorbeeld bacteriën en virussen. Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen die ieder weer een eigen taak hebben. Bij een tekort aan witte bloedcellen ben je vatbaarder voor infecties. Er bestaat geen mogelijkheid witte bloedcellen met een transfusie aan te vullen.

Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen voor de stolling van het bloed. Bij een ernstig tekort van bloedplaatjes kan er een bloeding ontstaan, bijvoorbeeld een bloedneus. Hiervoor kan een transfusie met bloedplaatjes worden gegeven.

Bloedvloeistof (bloedplasma) bestaat uit water met daarin opgeloste stoffen die voor de bloedstolling zorgen (stollingseiwitten).

Een tekort aan een van deze bloedbestanddelen kan ontstaan door een groot verlies van bloed na een ongeval of operatie. Het kan ook zijn dat de aanmaak in het lichaam tijdelijk of langdurig onvoldoende is, bijvoorbeeld door chemotherapie. De arts kan, afhankelijk van de ziekte, de behandeling en de ernst van het tekort aan een bepaald bloedbestanddeel, besluiten het tekort door een transfusie aan te vullen.

Controle van het bloed

Bloedproducten worden door de bloedbank gemaakt uit bloed dat is afgenomen van bloeddonors. Bloeddonors worden voor iedere donatie medisch gekeurd. Het bloed wordt dan gecontroleerd op de aanwezigheid van met bloed overdraagbare infecties, zoals infecties die leverontsteking of aids veroorzaken. Hiervoor zijn nationale en Europese richtlijnen opgesteld. Een patiënt krijgt alleen bloed(producten) wanneer aan alle controleverplichtingen is voldaan.

Bloedgroepcontrole

Als het bloed is overgedragen aan het ziekenhuislaboratorium, wordt daar aan de hand van bloedgroepen onderzocht of het bloed van de donor ‘past’ bij het bloed van de patiënt. Een verschil in bloedgroep tussen patiënt en donorbloed kan een ernstige reactie veroorzaken.

Voordat de verpleegkundige het bloed door een infuus toedient, worden alle gegevens van de patiënt en de donor nog eens met elkaar vergeleken. Binnen het UMCG op de afdeling Medische Oncologie D2VA en ook op het Dagcentrum gebeurt dit met een extra beveiligingssysteem via een hand-held computer (iPAQ). Ook tijdens de transfusie controleert de verpleegkundige regelmatig of er bijwerkingen optreden.

Witte bloedcellen (leucocyten) zorgen voor de afweer van het lichaam tegen bijvoorbeeld bacteriën en virussen. Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen die ieder weer een eigen taak hebben. Bij een tekort aan witte bloedcellen ben je vatbaarder voor infecties. Er bestaat geen mogelijkheid witte bloedcellen met een transfusie aan te vullen.

Bijwerkingen van transfusies

Hoewel de risico’s van een bloedtransfusie op deze manier tot een minimum worden beperkt, kunnen deze niet helemaal worden uitgesloten. Zoals bij iedere behandeling kunnen ook bij bloedtransfusie ongewenste effecten optreden. Deze worden hieronder puntsgewijs besproken.

Overgevoeligheidsreactie

Naast het bestanddeel waarvoor de transfusie wordt toegediend, kunnen kleine hoeveelheden van andere bestanddelen aanwezig zijn. Omdat het lichaam deze als vreemd herkent, kan het lichaam erop reageren met benauwdheid, koorts, koude rilling, jeuk, galbulten of rode vlekken. Deze reactie is te beschouwen als een overgevoeligheidsreactie en is te behandelen en te voorkomen met bijvoorbeeld medicijnen.

Bloed ‘past’ toch niet helemaal

Hoewel voor de transfusie alles is gedaan om ‘passend’ bloed uit te zoeken, kan het in een enkel geval voorkomen dat het toegediende bloed cellen bevat die het lichaam niet herkent. Hiertegen gaat de patiënt dan antistoffen maken en er kunnen dan bloedcellen worden afgebroken of ontstekingsreacties in het lichaam ontstaan. De patiënt krijgt extra vocht en/of medicijnen om de klachten te bestrijden. Bij een volgende transfusie krijgt de patiënt bloed waartegen deze antistoffen niet werken.

Reacties als gevolg van toediening van veel bloed

Bloed wordt afgenomen en bewaard in speciale vloeistoffen. Soms kan de patiënt reageren op deze vloeistoffen en op afbraakproducten van het bloed die tijdens het bewaren van het bloed zijn ontstaan. Deze reacties doen zich alleen voor als er een grote hoeveelheid bloed in korte tijd wordt toegediend. De patiënt krijgt dan medicijnen om de klachten die hierdoor ontstaan te verhelpen.

Overdracht van infecties

Ondanks alle voorzorgsmaatregelen bestaat er een zeer kleine kans dat met een bloedtransfusie een infectie wordt overgedragen. Het kan zijn dat de bloeddonor nog maar kort geleden werd besmet. In zijn bloed kan de aanwezigheid van de ziekteverwekker dan nog niet worden aangetoond. Ook is het mogelijk dat de hoeveelheid virus in het bloed zo klein is dat het met de test niet kan worden aangetoond. Tot slot kunnen er virussen in het bloed aanwezig zijn waar niet op getest wordt of die nog niet bekend zijn.

Voor de tot nu toe bekende ziektes zoals leverontsteking en aids is de kans op het oplopen van een infectie via bloedtransfusie geschat op 1 per honderdduizend tot 1 per miljoen per eenheid bloed.